3.1. VA_2.2.

EEN BLIK IN DE DIEPTE: Hoe de ondergrond vorm gaf aan de Vlaamse Ardennen
Hoofdstuk 2: Enkele geologische excursiesites

2.2. SITE 2: FOCUS OP GRONDVERSCHUIVINGEN

2.2.1. Algemene karakteristieken

Figuur 33. Site 2 (wit omlijnd) en omgeving. Gekarteerde grondverschuivingen zijn paars omlijnd
Figuur 34. Panoramisch zicht op Site 2 en natuurgebied ‘’t Burreken’ vanaf de splitsing Ganzenberg – Korteberg
Figuur 35. Zicht op een deel van de steile zuidwest helling van natuurgebied ‘’t Burreken’.
De Krombeek, gevoed door een bron, stroomt tussen de bomenrij aan de voet van de helling.
Figuur 36. Natuurgebied ’t Burreken: bronbos in het steile dal van de Krombeek

Locatie: Horebeke en Maarkedal, 50°48’25,61”N, 3°42’49,42”E (centroïde)
Hoogte en hellingen:
• 95% van het terrein ligt tussen 50 en 110 m (figuur 37A)
• 80% van het gebied heeft een helling tussen 2 en 15% (figuur 37B). De oriëntatie van de hellingen is zeer variabel (figuur 37C)
Landgebruik: afwisseling van akkerland, grasland en bos (figuur 38 en 39)
Bodems: grote variatie (figuur 40 en tabel 14)
Kwartaire geologie: heterogene leemafzettingen van wisselende dikte (figuur 41)
• Relevante typeprofielen: 1, 12, 13 (figuur 42 en tabel 15)

2.2.2. Wat maakt Site 2 bijzonder?

Site 2 valt op door de combinatie van een complex opgebouwde ondergrond en een uitzonderlijk hoge dichtheid aan grondverschuivingen. Deze interactie bepaalt het reliëf, het bodemmozaïek én het landgebruik.
De landschappelijke complexiteit springt onmiddellijk in het oog tijdens een wandeling. Thematische kaarten bevestigen dit beeld: er zijn hoogteverschillen van meer dan 50 meter, een grote variatie in hellingsgraden en geen dominante hellingsrichting (figuur 37).

Figuur 37. Hoogten (A), hellingen (B) en hellingsrichtingen (C) in Site 2. Rechts proporties per klasse.

Akkers, weilanden en bospercelen wisselen elkaar snel af (figuur 38), wat een kleinschalige, haast tijdloze mozaïek oplevert. Opmerkelijk is hoe weinig dit patroon gewijzigd lijkt sinds de publicatie van de Ferrariskaart in 1779 (figuur 39).

Figuur 38. Landgebruik in Site 2
Figuur 39. Landgebruik in en rondom Site 2 rond 1775 (bron: Ferrariskaart)

Deze stabiliteit in het landgebruik wijst op dieperliggende, structurele factoren: bodems en geologisch substraat spelen hier een hoofdrol. Met 29 bodemseries op slechts 334 hectare kent Site 2 een opvallend grote bodemdiversiteit (figuur 40 en tabel 14).

Figuur 40. Bodemtypes in Site 2

Tabel 14. Bodemseries van Site 2: legende

SymboolBeschrijving
AbaDroge leembodem met textuur B horizont
AbBDroge leembodem met textuur B of structuur B horizont
AbpDroge leembodem zonder profiel
AcaMatig droge leembodem met textuur B horizont
AcpMatig droge leembodem zonder profiel
AdaMatig natte leembodem met textuur B horizont
ADaMatig droge tot matig natte leembodem met textuur B horizont, en klei of zand op geringe diepte (<75 cm)
AdpMatig natte leembodem zonder profiel
AepNatte leembodem zonder profiel
AfpZeer natte leembodem zonder profiel
AhpNatte leembodem zonder profiel
BBronnen
EdpMatig gleyige kleibodem zonder profiel
EDxZwak tot matig gleyige kleibodem met onbepaald profiel. Kan klei-zand op geringe diepte (<75 cm) bevatten.
EepSterk gleyige kleibodem zonder profiel
EfpZeer sterk gleyige kleibodem zonder profiel
GbxDroge stenige leembodem met onbepaald profiel
LbaDroge zandleembodem met textuur B horizont, met klei-zand op geringe (<75 cm) of matige (75-125 cm) diepte
LbxDroge zandleembodem met onbepaald profiel en zand op geringe diepte (<75 cm)
LcaMatig droge zandleembodem met textuur B horizont. Onbepaald substraat kan voorkomen op matige diepte (75-125 cm)
LcpMatig droge zandleembodem zonder profiel
LdaMatig natte zandleembodem met textuur B horizont. Onbepaald substraat kan voorkomen op matige diepte (75-125 cm)
LDaMatig droge tot matig natte zandleembodem met textuur B horizont en klei-zand op geringe diepte (< 75 cm)
LdcMatig natte zandleembodem met sterk gevlekte, verbrokkelde textuur B horizont en onbepaald substraat op matige diepte (75-125 cm)
LdpMatig natte zandleembodem zonder profiel
LDxMatig droge tot matig natte zandleembodem met onbepaald profiel, en klei of klei-zand op geringe diepte (< 75 cm)
LepNatte zandleembodem zonder profiel
LhpNatte zandleembodem zonder profiel met relatief hoge ligging
OBebouwde of sterk vergraven grond
Figuur 41. Kwartair-geologische kaart van het gebied rond Site 2 (Bogemans, 2005)
Figuur 42. Typeprofielen van het Kwartair in het gebied rond Site 2 (Bogemans, 2005)

Tabel 15. Kwartairgeologie: Typeprofielen in site 2

No.Beschrijving
1Leem op minder dan 1 m diepte
12Homogene eolische leemafzettingen
13Lemig materiaal zonder profielontwikkeling bovenop homogene eolische leemafzettingen.  Geïntercaleerde hellingsafzettingen kunnen mogelijks aanwezig zijn aan de voet van de helling.
14Homogene eolische leemafzettingen bovenop lemig materiaal, homogeen gelaagd of alternerend met zandige en/of venige laagjes ontstaan door hellingsprocessen, waarin mollusken en veenspots kunnen voorkomen.
15Lemig materiaal zonder profielontwikkeling bovenop (1) lemig materiaal, homogeen gelaagd of alternerend met zandige en/of venige laagjes ontstaan door hellingsprocessen, waarin mollusken en veenspots kunnen voorkomen, en (2) mogelijks geïntercaleerde hellingsafzettingen aan de voet van de helling.
18Fluviatiele afzettingen met een textuur variërend van klei tot zand, mogelijks met veenontwikkeling, bovenop (1) mogelijks homogene eolische leemafzettingen, (2) lemig materiaal, homogeen gelaagd of alternerend met zandige en/of venige laagjes ontstaan door hellingsprocessen, waarin mollusken en veenspots kunnen voorkomen, en (3) geïntercaleerde hellingsafzettingen.

De lagere delen – langs de Krombeek in het westen en de Roosmeersbeek in het oosten – tonen een gevarieerder beeld, met meerdere bronniveaus en texturen. Kleien komen vooral voor in het westelijke bosgebied, wat duidt op invloed van Tertiaire afzettingen. De waterhuishouding varieert sterk, van zeer droog tot uitgesproken nat (zie tabel 14).

Een tweede opvallend kenmerk is de aanwezigheid van maar liefst zeven verschillende Tertiaire formaties of leden binnen dit kleine gebied (figuur 43). Elk heeft zijn eigen lithologische eigenschappen (zie tabel 13), wat de bodemopbouw en reliëfvorming aanzienlijk beïnvloedt.

Figuur 43. Tertiaire geologie in Site 2

Deze afwisseling van zandige en kleiige lagen vormt de basis voor bronnen, achterwaartse erosie en een hoge frequentie aan grondverschuivingen (zie ook sectie 1.5.4). Vooral dit laatste is bijzonder opvallend: Site 2 telt een groot aantal kleine en grotere verschuivingen (figuur 31). De kleinschalige komen vooral voor op het grensvlak tussen de klei van de Formatie van Gent (Lid van Merelbeke – GeMe) en het zand van het Lid van Vlierzele (GeVl).

Het grootste bos in natuurgebied ’t Burreken ligt zelfs op een massale verschuiving van bijna 1 km lang, op de grens tussen de klei van de Formatie van Kortrijk (Lid van Aalbeke – KoAa) en de zand-siltafzettingen van de Formatie van Tielt (Tt) (figuur 44).

Figuur 44. Grondverschuivingen in natuurgebied ‘t Burreken in relatie tot de geologische afzettingen en het reliëf

Vermoedelijk gaat het om een oude grondverschuiving, aangezien het gebied al op de Ferrariskaart als bos werd weergegeven binnen een akkerlandschap (figuur 45). Ook elders vallen grondverschuivingen samen met bos op deze kaart, wat deze interpretatie ondersteunt.

Figuur 45. Landgebruik in de omgeving van Site 2 rond 1775 (bron: Ferrariskaart)

Toch zijn er aanwijzingen dat deze grote verschuiving recent werd gereactiveerd. Figuur 46 toont in de verschuiving minstens twee duidelijke knikken in het reliëf, zichtbaar als smalle platformen gekneld tussen steilere hellingen.

Figuur 46. Complex hellingpatroon van de grote grondverschuiving (hellingen gebaseerd op 1 m DEM)

Deze worden bevestigd door de hoogte- en hellingprofielen dwars doorheen de grote grondverschuiving (figuur 47 links), elk met twee duidelijke breukpunten, en het LIDAR beeld rechts.

Figuur 47. Links: hoogteprofiel (boven) en hellingprofiel (beneden) doorheen de grote grondverschuiving van natuurgebied ‘t Burreken.
Rechts: onregelmatige topografie van de grote verschuiving met een duidelijke steilrand op het LIDAR hillshade beeld.

 Op een van de platformen bevindt zich een lokale inzinking met geblokkeerde afwatering. Deze natte zone is gekoloniseerd door vochtminnende vegetatie zoals de reuzenpaardenstaart (Equisetum telmateia) (figuur 48).

Figuur 48. Plantengroei in het drassig platform aan de voet van de steilwand van het Burrekenbos.
Onderaan reuzenpaardenstaarten in het natste deel van het platform.

Conclusie
Het complexe landschap van Site 2 is het resultaat van een dynamische wisselwerking tussen deklaag, insnijding, erosie en afglijding van lithologisch sterk contrasterende materialen. Doorheen de eeuwen heeft het landgebruik zich aangepast aan de lokale omstandigheden: bodems, hellingen, vochtigheid. Het resultaat is een mozaïek van akkers, graslanden en bossen. Ook de flora weerspiegelt die variatie: ze reageert op microklimaat, bodemtype en waterhuishouding.

Dankzij deze natuurlijke rijkdom en de landschappelijke waarde geniet het gebied statutaire bescherming als natuurreservaat – en dat is zonder meer terecht. Wandelaars kunnen vandaag gebruik maken van goed aangeduide routes om deze bijzondere biotoop te verkennen.