EEN BLIK IN DE DIEPTE: Hoe de ondergrond vorm gaf aan de Vlaamse Ardennen
Hoofdstuk 2: Enkele geologische excursiesites
2.3.2.2. Correlaties en interpretatie
Figuur 66 toont een samengestelde schets van de profielen van Site 3A, en de vergelijking met Site 3B en oudere beschrijvingen van Houthuys. Zowel visueel als lithologisch is de gelijkenis tussen Site 3A-2 en Site 3B opvallend: beide bevatten verhard zand met ijzerrijke lagen, op ongeveer dezelfde hoogte.

Volgens Houthuys (2014) kunnen in Site 3A drie hoofdgroepen van afzettingen worden onderscheiden:
• LB (Lower Disturbed Beds): fijn zand met verspreide keitjes, zonder duidelijke gelaagdheid door intense bioturbatie. Komt overeen met profielen 5 en 6.
• MP (Middle Pebbly Beds): grover zand, meer keien, duidelijke gelaagdheid met helling naar het noorden. Herkenbaar in profielen 2, 3 en 4.
• UG (Upper Glauconiferous Beds): fijn zand met glauconiet, dat naar boven toe grover wordt. Typisch voor profielen 1A en 1B.
De zandige afzettingen wijzen op een ondiepe zee, met hoge golfenergie. Variaties in korrelgrootte en keigehalte vertellen ons iets over veranderingen in de kustlijn en golfslag. De grindrijke basis van de MP-groep wijst op verhoogde erosie door opheffing van het vasteland, terwijl de fijnere UG-afzettingen suggereren dat het land nadien werd afgevlakt.
2.3.2.3. Discussie
In welke geologische periode kunnen we de sedimenten van Site 3 situeren?
Volgens de geologische kaart (figuur 67) komen in Site 3 de volgende formaties voor, van jong naar oud:
• Formatie van Diest (Di)
• Formatie van Maldegem (Ma)
• Formatie van Lede (Ld)
• Formatie van Gent / Lid van Vlierzele (GeVl)
Op basis van deze kaart zouden zowel Site 3A als 3B tot de Formatie van Maldegem behoren.

Maar klopt dat wel?
De legende van het kaartblad Geraardsbergen van de Geologische Kaart van België biedt meer detail (zie Tabel 16). Daarin wordt de lithologie van de streek rond de sites beschreven. Vergelijken we die informatie met de waarnemingen ter plaatse, dan valt iets op.
Tabel 16. Lithologische eigenschappen van de verschillende formaties in en nabij de site (Jacobs et al., 1999)
| Symbool | Formatie/Lid | Lithologie |
| Di | Formatie van Diest | Groene, glauconiethoudende zanden verweerd tot bruinrode en gele, ijzerhoudende zanden, dikwijls aaneengekit tot donkerbruine zandsteenbanken.. Soms komen witte keien voor, die bestaan uit verweerde silex. Gemiddeld 3 m dik, doch mogelijk tot 21 m. |
| Ma | Formatie van Maldegem, Lid van Wemmel[1] | Grijs glauconiethoudend fijn zand, kleiiger naar boven toe; basisgordel met Nummulites wemmelensis; gemiddeld 4 m dik; kan plaatselijk ontbreken. Verwarring mogelijk met de Formatie van Lede door lithologische gelijkenis. |
| Ld | Formatie van Lede | Typisch grijs, matig fijn tot fijn zand, kalkhoudend met Nummulites variolarius. Komt ook voor in ontkalkte vorm als geel, fijn zand. Kenmerkend drie fossielhoudende kalksteenbanken en een basisgrind; gemiddeld 5 m dik. |
| GeVl | Formatie van Gent, Lid van Vlierzele | Grijsgroen glauconiethoudend fijn zand, duidelijk horizontaal of kruisgewijs gelaagd met kleilenzen; plaatselijk dunne zandsteenbankjes; naar onder toe overgaand in homogeen kleiig zeer fijn zand: gemiddeld 5 m dik. |
[1] De Formatie van Maldegem heeft in België 3 leden: het lid van Ursel, van Asse en van Wemmel. Het lid van Wemmel is aangeboord nabij de site, op de top van de Muziekkberg (Jacobs et al., 1999)
In de profielen van Site 3 vinden we fossielloze, ontkalkte zanden met keien en zandsteenbanken. Dat komt sterk overeen met de beschrijving van de Formatie van Diest, en veel minder met die van de Formatie van Maldegem. Die vaststelling sluit ook aan bij oudere waarnemingen van De Heinzelin (1964), in de zandgroeven van La Houppe en het Pottelbergbos, waar tot op 15 meter diepte gelijkaardige sedimenten werden aangetroffen. Met andere woorden: de veldobservaties lijken beter te passen bij het Diestiaan (laat-Mioceen) dan bij het oudere Maldegemiaan (midden-Mioceen). Opvallend is dat de Formatie van Diest vlakbij de onderzochte sites al op de kaart staat ingetekend. Het zou dus maar een kleine cartografische aanpassing vergen om ook Site 3A en 3B tot het Diestiaan te rekenen — zoals voorgesteld in Figuur 66.

van Sites 3A en 3B in de Formatie van Diest onder te brengen (rechts, oranje lijn)
KADER 16. Onzekerheden in de chronostratigrafie: ‘gelijkaardig’ betekent niet noodzakelijk ‘gelijktijdig’
Een probleem met deze elegante oplossing is dat recentelijk in twijfel wordt getrokken of de top van de Vlaamse Ardennen wel degelijk tot de Formatie van Diest behoort. Die twijfel vloeit voort uit het ontbreken van fossielen, wat directe datering bemoeilijkte. Daardoor moest men terugvallen op indirecte argumenten om de heuveltoppen in de Vlaamse Ardennen aan de Formatie van Diest toe te wijzen. Die argumenten steunden op een aantal geografische en lithologische gelijkenissen met de typische afzettingen van de Formatie van Diest in het Hageland (Houthuys, 2014):
• De zanden van de Vlaamse Ardennen vormen, net als de Diestse zanden in het Hageland, de bovenste en dus jongste afzettingen in het landschap.
• Beide typen afzettingen bevatten glauconiet en worden gekenmerkt door massieve, gecementeerde ijzerzandsteenkappen.
• De interne sedimentaire structuur toont kruisgelaagdheid.
• De onderbroken west-oostlijn van heuveltoppen in de Vlaamse Ardennen lijkt een oostelijke verlenging van de Hagelandse heuvelrug, die zelf een zuidwest-noordoostoriëntatie heeft.
Op basis van een gedetailleerde studie van (1) verschillen in sedimentaire structuren tussen de zanden van de Vlaamse Ardennen en die van het Hageland, en (2) een directionele analyse van waterlopen en droge thalwegen in Centraal-België, concludeert Houthuys dat beide afzettingen paleogeografisch en chronologisch niet verenigbaar zijn.
Volgens hem zijn de zanden van de Vlaamse Ardennen afgezet langs een west-oost georiënteerde kustlijn van een noordelijke zee. De Diest-zanden in het Hageland daarentegen zouden de opvulling vormen van een mariene baai, gevoed door sterke continentale sedimentaanvoer. De analyse van de stroomrichtingen suggereert een geleidelijk hellend Mioceen landschap dat afwaterde naar de Roerdalslenk in het noordoosten. Aangezien deze primitieve drainagepatronen nog altijd zichtbaar zijn, moet er destijds geen topografisch obstakel hebben bestaan op de plek waar nu de Vlaamse heuvels liggen. De implicatie is dat de zanden van de Vlaamse Ardennen toen reeds begraven waren onder jongere sedimenten en dus ouder zijn dan de Diest-zanden.
De Diest-zanden worden gedateerd op het boven-Mioceen en zijn ongeveer 5 miljoen jaar oud. Maar als de zanden van de Vlaamse Ardennen niet gelijktijdig zijn afgezet, hoe oud zijn ze dan wel?
Houthuys vermoedt dat ze gevormd zijn tijdens de opheffing van Oost-België en Noordoost-Frankrijk, in de laat-Eocene fase van de Pyreneeënvorming. Op basis van drie elementen – (1) gedeelde geologische conformiteit, (2) een erosief hiaat, en (3) een transgressieve glauconietrijke basis – situeert hij deze zanden in het Lid van Bassevelde van de Formatie van Zelzate. Daardoor verschuift hun indicatieve ouderdom van circa 5–10 miljoen jaar naar ongeveer 35 miljoen jaar (zie figuur 69).

Hoewel dit voorlopig een hypothese blijft, zou ze – indien bevestigd – een drastische herziening vereisen van onze kennis over de landschapsvorming in Centraal-België.
De huidige ligging van deze zanden op de hoogste punten van het Zuid-Vlaamse landschap wordt verklaard door differentiële erosie, waarbij de ijzerzandsteenkappen een beschermende rol speelden – een mechanisme dat algemeen aanvaard wordt (zie Kader 11).