3.1. VA_1.8A

EEN BLIK IN DE DIEPTE: Hoe de ondergrond vorm gaf aan de Vlaamse Ardennen
Hoofdstuk 1: Situering Vlaamse Ardennen

1.8. DE DIEPE ONDERGROND: EEN GELAAGD VERHAAL

Als de bodem de huid van de aardkorst is, dan vormt de ondergrond de massa waarop alles rust. Onder het bodemprofiel gaat een veel complexere geologische opbouw schuil, met gesteentelagen die stuk voor stuk getuigen van miljoenen jaren aardgeschiedenis. Deze diepere ondergrond bepaalt niet alleen het reliëf en de drainage, maar is ook van belang voor grondwater, bouwtechnische toepassingen en het begrijpen van regionale geologische processen.

1.8.1. Overzicht

De exploratie van de ondergrond van de Vlaamse Ardennen spitst zich toe op twee grote geologische perioden die bepalend waren voor de huidige landschapsvorming en de belangrijkste geomorfologische processen: het Tertiair (zie sectie 1.8.2) en het Kwartair (sectie 1.8.3). In deze secties wordt dieper ingegaan op de herkomst, kenmerken en ruimtelijke verspreiding van de voornaamste afzettingen.

De geologische informatie is hoofdzakelijk gebaseerd op waarnemingen uit boringen, beschrijvingen van natuurlijke en kunstmatige ontsluitingen, en de interpretatie van regionale geologische kaarten en doorsneden. Deze gegevens laten toe om de stratigrafische volgorde, ouderdom en fysische eigenschappen van de afzettingen in kaart te brengen.

Tabel 12 geeft een overzicht van de geologische opbouw van de Vlaamse Ardennen. Ze toont de verschillende afzettingen in hun stratigrafische volgorde, hun onderlinge relaties en hun plaats op de geologische tijdschaal. Omdat de naamgeving in de loop der jaren geëvolueerd is, is een correlatie opgenomen tussen de traditionele termen (‘Ieperiaan’, ‘Paniseliaan’ enz.) en de huidige nomenclatuur, die uitgaat van formaties en eventueel leden (subeenheden binnen een formatie). Deze moderne termen zijn beter geschikt om zowel de ouderdom als de fysische kenmerken van het gesteente te duiden. Meer uitleg hierover in de Woordenlijst.

Tabel 12. Stratigrafische indeling van de Vlaamse Ardennen.

Formatie van (+ afkorting)LidGroepOude naamPeriodeOuderdom (miljoen jaar)
        KWARTAIR (Kw)1,8
                                                                         TERTIAIR
Diest (Di)  DiestiaanMioceen5,4 (T)
Maldegem (Ma)  BartoniaanLaat Eoceen37,0 – 41,2
      
Lede (Ld) ZenneLediaanMidden Eoceen41,2 (T)
Gentbrugge (Ge) IeperPaniseliaanVroeg Eoceen49,0 (T)
Vlierzele (GeVl)
Merelbeke (GeMe)
Tielt (Tt) Ieperiaan49,0 – 54,8
Kortrijk (Ko)Aalbeke (KoAa)
Moen (KoMo)
Saint-Maur (KoSm)
Mont-Héribu (KoMh)
Hannut (Hn) LandenLandeniaanLaat Paleoceen54,8 – 58,0

(T): top van formatie/lid

Tabel 13  bevat enkele details over de lithologische kenmerken, de fysische eigenschappen en samenstelling van de belanrijkste afzettingen. Waar mogelijk wordt verwezen naar de geologische doorsneden waarin elk lid of formatie voorkomt.

KADER 8.  Geologische doorsneden

Een geologische doorsnede is een denkbeeldige verticale “snede” door de ondergrond, alsof men een stuk van het landschap zou uitlichten en in profiel bekijken. Ze laat zien hoe opeenvolgende gesteentelagen en structuren onder het maaiveld zijn opgebouwd, en hoe deze zich in de diepte uitstrekken. Zo maken geologische doorsneden zichtbaar wat aan het oppervlak vaak verborgen blijft.

Het opstellen van een geologische doorsnede gebeurt op basis van verschillende soorten gegevens, zoals:
• Oppervlaktewaarnemingen uit veldwerk, zoals gesteentetypen en laagdiktes in ontsluitingen;
• Boorgegevens, die tot grote diepten informatie geven over opeenvolgende lagen;
• Geofysische metingen, waaronder geo-elektrische metingen: hierbij wordt elektrische stroom door de ondergrond gestuurd en gemeten hoe goed verschillende lagen deze stroom geleiden. Zo kunnen laagdiktes, kleilenzen, grofzandpakketten en grondwaterlagen in beeld worden gebracht. Deze methode is vooral geschikt voor de bovenste tientallen meters van de ondergrond en speelt zelden een zelfstandige rol bij het ontrafelen van diepe geologische structuren, maar kan wél in combinatie met andere technieken, zoals seismische metingen, helpen om de overgang naar dieper liggende lagen beter te begrijpen;
• Bestaande geologische kaarten en eerder uitgevoerde studies, die helpen om hiaten of onzekerheden te vullen.

Voor de Vlaamse Ardennen zijn zes geologische doorsneden beschikbaar die de gevariëerde geologische struktuur in beeld brengen. Ze lopen door verschillende delen van het gebied en in uiteenlopende richtingen: T29/1, T29/2, T29/3, T30/1, T30/2 en T30/3. Via de aangegeven links kunnen deze doorsneden online worden bekeken en in hoge resolutie worden gedownload.

De cijfers in de kolommen van Tabel 13 geven een schatting van de gemiddelde dikten (in m) van de formaties/leden in elke geologische doorsnede.

Tabel 13. Lithologische kenmerken van de Tertiaire stratigrafie


Afkorting  
Lithologische kenmerken  Vlaamse ArdennenGeologische doorsnede
T29/1T29/2T29/3T30/1T30/2T30/3
Kw Zie sectie 1.7. over “Bodems” 2-252-152-302-301-81-20
DiGroen tot bruin zand, heterogeen, meerdere grindlagen, (ijzer)zandsteenbanken, kleirijke horizonten, schuine gelaagdheid, glauconietrijk, micarijke horizonten.+ Ijzer-zandsteen105 n.a. n.a.2n.a.
MaGrijze afwisseling fijn zand en klei, glauconiethoudend, glimmerhoudend, onderaan zandhoudende en sterk glauconiethoudende klei 77 n.a.222
LdLichtgrijs fijn zand, soms kalksteenbanken, kalkhoudend, fossielhoudend (Nummulites variolarius), soms glauconiethoudend, basisgrind+ Balegemse steen55 n.a.776
GeGrijsgroen fijn zand, glauconiethoudend, overgaand in zandhoudende tot donkergrijze klei, plaatselijk zandsteenbanken (veldsteen).+ veldsteen101010 5-7 n.a. n.a.
GeVlGroen tot grijsgroen fijn zand, soms kleihoudend, glauconiet- en glimmerhoudend, plaatselijk dunne zandsteen-bankjes.  n.a. n.a. n.a.655-8
GeMeBlauwgrijze tot donkergrijze klei, dunne zandlensjes, organisch materiaal, pyrietachtige concreties  n.a. n.a. n.a.653-5
TtGrijsgroen zeer fijn zand tot silt, kleihoudend 30302-30252025-30
KoAaDonkergrijze tot blauwe klei, glimmers 1010101074
KoMoGrijze klei tot silt, kleihoudend, kleilagen; fossielhoudend (Nummulites planulatus) 30-4530-4540-45>45d.o. 40-45
KoSmGrijze klei, silthoudend 303030 n.a. n.a. d.o.
KoMhGroengrijze klei, zandhoudend, silthoudend, soms graafsporen, onderaan zand, kleihoudend met lenzen zuiver zand 101010 n.a. n.a. n.a.
HnGrijsgroen fijn zand, soms dunne kleihoudende intercalaties, met plaatselijk zandsteen, naar onder toe zandhoudende klei tot klei d.o.[1]d.o.d.o. n.a. n.a. n.a.

[1] d.o.: diepte onbepaald

De bron van tabellen 12 en 13 is de Stratigrafische Tabel voor Vlaanderen (figuur 17). Kader 9 bespreekt de betekenis van die tabel en hoe ze geïnterpreteerd moet worden.

Figuur 17. Stratigrafische tabel van het Neogeen en Kwartair

KADER 9. De stratigrafische tabel uitgelegd

Een stratigrafische tabel is een grafisch overzicht van de indeling van de geologische tijd en de bijhorende gesteente- of sedimentlagen (stratigrafische eenheden). De tabel geeft informatie over:
• de tijdsschaal (chronostratigrafie) in een hierachie van tijdvakken met benaderde ouderdom in miljoen jaar
• de stratigrafische eenheden (lithostratigrafie) in een hierarchie van groepen, formaties en leden (bv. Ieper groep, Formatie van Kortrijk, Lid van Aalbeke), eventueel aangevuld met hun lithologische en biologische (fossielen) kenmerken.

De chronostratigrafie wordt internationaal vastgelegd door de International Commission on Stratigraphy (ICS). De indeling in tijdvakken wordt regelmatig verfijnd naarmate nieuwe dateringsmethoden beschikbaar komen en geologische inzichten evolueren. Daarom verschijnen er geregeld geactualiseerde versies van de stratigrafische tabel. De tabel in figuur 16 is de meest recente en dateert van 2024.

Soms leiden die actualisaties tot een vereenvoudiging. Zo zijn de Leden van Moen en St.-Maur in de Formatie van Kortrijk (op de Geologische Kaart nog aangeduid als KoMo en KoSm) sinds 2019 ondergebracht bij respectievelijk het Lid van Roubaix (KoRo) en het Lid van Orchies (KoOr). Soms worden veel ingrijpendere herzieningen voorgesteld, zoals besproken in Kader 16 over de datering van de zanden van Diest. Zulke voorstellen vereisen doorgaans een zwaardere bewijslast.

De lithostratigrafie is specifiek is voor een regio: dit zijn de formaties en andere gesteentelagen die geologen in het veld kunnen herkennen en benoemen, zoals de Formatie van Lede of de Formatie van Aalter.

De stratigrafische tabel typeert de manier waarop geologen tijd en ruimte tegelijk proberen te vatten in één schema.
In stratigrafische tabellen staat de verticale as meestal voor geologische tijd. Wanneer een lid of formatie in de tabel mooi recht onder een ander ligt, betekent dit meestal:
• dat ze in opeenvolging zijn afgezet (de ene na de andere), en
• dat hun onderlinge relatie relatief eenvoudig is: geen grote veranderingen in facies of sedimentatiegebied.
Bijvoorbeeld: in de Formatie van Maldegem liggen de leden zoals Onderdale, Zomergem en Buisputten netjes boven elkaar. Dat wijst op een duidelijke tijdsopvolging.

De stratigrafische eenheden bevatten soms schuine grenslijnen. Als twee formaties gelijktijdig voorkomen binnen eenzelfde groep (zoals de Boom-formatie en de Bilzen-formatie), betekent dat de twee formaties ongeveer tegelijk zijn afgezet, maar op verschillende locaties met verschillende afzettingsomstandigheden (facies). Een schuine grenslijn tussen twee gelijktijdige formaties of leden duidt aan dat doorheen de tijd de grens verschoof tussen de twee, wat typisch is voor laterale faciesveranderingen.

Witte zones in de stratigrafische tabel vertegenwoordigen de belangrijkste geologische hiaten: tijdsintervallen waarin geen sedimentatie plaatsvond of waarin eerder afgezet materiaal is geërodeerd. Ze geven dus onderbrekingen aan in de geologische geschiedenis van de regio.