EEN BLIK IN DE DIEPTE: Hoe de ondergrond vorm gaf aan de Vlaamse Ardennen
Hoofdstuk 1: Situering Vlaamse Ardennen
1.8.3. Kwartaire afzettingen
Na de afzetting van de Tertiaire lagen bleef het landschap van de Vlaamse Ardennen niet ongewijzigd: gedurende het Kwartair — een periode van ijstijden en interglacialen — werd het gebied verder gevormd door wind, water en klimaatwisselingen, met opvallende sedimenten en reliëfkenmerken als resultaat.
Tijdens het Kwartair daalde de zeespiegel verder door de afwisseling van ijstijden en interglacialen. Grote delen van de ondiepe zee kwamen droog te liggen, terwijl gletsjers in het noorden gesteente vermaalden tot fijn puin. Dit puin werd door poolwinden tijdens sneeuwstormen zuidwaarts geblazen en afgezet als zogeheten niveo-eolische afzettingen: sedimenten gevormd door de gecombineerde werking van sneeuw en wind.
KADER 12. Wat zijn niveo-eolische afzettingen?
‘Niveo-eolisch’ betekent letterlijk: “door sneeuw en wind afgezet.” In koude periodes, zoals tijdens het Laat-Pleistoceen, blies de wind fijn materiaal (zand en leem) over bevroren bodems, vaak in combinatie met sneeuwstormen. Sneeuw en ijs hielden het stof tijdelijk vast, waarna het bij dooi als een dunne laag werd afgezet. Deze processen leidden tot het ontstaan van dekzanden en leemlagen die we vandaag nog terugvinden aan het oppervlak van grote delen van Vlaanderen.
Het zwaardere zand viel eerder neer in het noorden van Vlaanderen, terwijl de lichtere leemdeeltjes in suspensie verder zuidwaarts geraakten. Zo ontstond er een duidelijke noord-zuidgradiënt in bodemmateriaal: van een zandstreek in het noorden, via een zandleemstreek in het midden, tot een leemstreek in het zuiden. Deze afzettingen vormden de basis voor de bodemdiversiteit die vandaag nog steeds zichtbaar is (zie Kaart 19).
Tegelijk werden de rivierdalen verder uitgediept. Tijdens warmere fasen, zoals het huidige Holoceen, vulden die valleien zich opnieuw op met alluvium: sedimenten die door regen en smeltwater van de ijskappen werden aangevoerd. In de valleien van de Schelde en Dender kunnen deze alluviale afzettingen een dikte van 25 tot 30 meter bereiken.
Zoals eerder vermeld (zie sectie 1.5.2), zijn de asymmetrische dalen van de Vlaamse Ardennen grotendeels gevormd onder periglaciale omstandigheden. Dominante westenwinden bliezen sneeuw van de oosthellingen van een dal naar de westhellingen van het volgende dal. Daardoor lag er meestal meer sneeuw op de westhellingen. Omdat oosthellingen meer zonlicht ontvingen — vooral in de namiddag en avond — smolt de sneeuw daar sneller. Met het smeltwater werd ook fijn stof afgevoerd naar het dal. Op termijn leidde dit tot steilere oosthellingen en dikkere afzettingen op de westhellingen.
Tegelijkertijd vonden daar erosieprocessen plaats, zoals creep (langzame bodemverschuiving) en solifluctie (verplaatsing van natte, bevroren bodems), die het reliëf verder afvlakten. Deze processen werden versterkt door de beperkte vegetatiebedekking in het toendraklimaat.
KADER 13. Wat zijn creep en solifluctie?
‘Soil creep’, in het Nederlands vaak bodemkruip genoemd, is een zeer trage en nauwelijks merkbare vorm van bodemverplaatsing op hellingen. Door afwisseling van bevriezen en dooien, nat worden en uitdrogen, of gewoon onder invloed van de zwaartekracht, schuift de bovenste bodemlaag geleidelijk naar beneden. Planten, hekwerken of palen op hellingen kunnen hierdoor na verloop van tijd een lichte kromming of helling vertonen. Omdat de interne structuur van de bodem grotendeels behouden blijft, wordt creep soms als een aparte vorm beschouwd en niet strikt tot de massabewegingen gerekend.
Solifluctie is een specifiek proces van bodemverplaatsing dat optreedt in koude klimaten, waar de ondergrond gedeeltelijk of volledig bevroren is (permafrost of seizoensgebonden bevriezing). In het voorjaar ontdooit de bovenlaag, maar het smeltwater kan niet weg door de nog bevroren ondergrond. Hierdoor raakt de toplaag verzadigd met water en begint ze als een trage modderstroom naar beneden te glijden.
In tegenstelling tot creep, dat continu en meestal droog verloopt, gebeurt solifluctie in episodes en onder natte omstandigheden.
YouTube
Soil creep: Evidence of a soil creep
Solifluctie: Солифлюкция (Solifluction)
Het onderscheid tussen soil creep en solifluctie is niet altijd duidelijk. Figuur 19 toont een helling aan de zuidkant van de Koppenberg met golvend, onregelmatig microreliëf, met zogenaamde terracettes, typisch voor zowel creep als solifluctie. Dit zijn precies de sporen die men in Vlaamse periglaciale hellingen kan aantreffen als gevolg van pleistocene solifluctie – ook al is het proces vandaag niet meer actief in zijn klassieke vorm.

De dikte van de kwartaire leem- en zandleemafzettingen in de Vlaamse Ardennen is dan ook zeer variabel en sterk afhankelijk van de ligging. Op steile oost- en noordhellingen bedraagt de dikte vaak minder dan anderhalve meter, soms zelfs minder — zeker op locaties waar het onderliggende gesteente (zie sectie 1.7.3) vlak onder het oppervlak ligt. Op zachtere west- en zuidhellingen kan de laag enkele meters dik zijn. In beekdalen zijn de kwartaire afzettingen vaak het dikst, soms meer dan 10 meter, door de aanvoer van colluviale sedimenten. Deze zijn vaak gemengd met klei of zand afkomstig van het Tertiair substraat eronder.
KADER 14. Colluviale versus alluviale afzettingen
Colluvium en alluvium zijn beide sedimenten die door water zijn verplaatst, maar het verschil zit in de herkomst en afzettingsomgeving.
• Colluviale afzettingen zijn het resultaat van afspoeling op hellingen. Door regenwater dat van hogerop komt, wordt bodemmateriaal losgeweekt en naar beneden gespoeld, waar het zich aan de voet van de helling opstapelt. Dit materiaal is vaak onsamenhangend, slecht gesorteerd en gemengd met stenen of bodemdeeltjes van diverse grootte.
• Alluviale afzettingen ontstaan in rivierdalen en worden door stromend water afgezet. Het gaat hier om beter gesorteerde lagen zand, slib of klei, afgezet in bedding, oeverzones of overstromingsvlaktes van rivieren.
De eenvoudige schets in figuur 20 illustreert het onderscheid.
