EEN BLIK IN DE DIEPTE: Hoe de ondergrond vorm gaf aan de Vlaamse Ardennen
Hoofdstuk 1: Situering Vlaamse Ardennen
1.5. RELIËF EN LANDSCHAPSSTRUCTUUR
De grote lijnen in het landschap van de Vlaamse Ardennen worden bepaald door drie elementen, van hoog naar laag: (1) heuvels, (2) stroombekkens en interfluvia (de zones tussen twee beken), en (3) de Scheldevallei.
1.5.1. Heuvels
De Vlaamse Ardennen, en zeker het centrale deel, worden gekenmerkt door opvallende hoogteverschillen (zie kaart 6).

(AANDACHT: om de kaart te bekijken of downloaden in hogere resolutie, klik op de kaart)
De hoogste toppen, tussen 120 en 150 meter, liggen op een min of meer aaneensluitende heuvelkam van west naar oost, die begint bij de Kluisberg en via de Hotondberg, het Muziekbos, het Brakelbos tot aan het Livierenbos reikt, ten zuiden van Brakel. Deze zone bestaat uit afzonderlijke heuvels, verbonden door hoge zadelruggen, en buigt vervolgens noordwaarts af. Daar splitst ze zich in twee takken op hoogtes tussen 80 en 110 meter.
Deze heuvels danken hun bestaan aan het feit dat ze in de geologische geschiedenis beter bestand waren tegen erosie, omdat ze uit hardere gesteenten bestaan dan hun omgeving. Meer uitleg hierover volgt in sectie 1.8.2. en in Kader 11.

(AANDACHT: om de kaart te bekijken of downloaden in hogere resolutie, klik op de kaart)
De overgang van de hogere naar de lagere delen gebeurt vaak via steile hellingen, met een stijgingspercentage van meer dan 8% (kaart 7). In totaal nemen deze hellingen ongeveer 16% van het gebied in.
Kaart 8 suggereert een algemene zuidwest-noordoost oriëntatie van het reliëf. Uit de verdeling van de hellingsrichtingen blijkt inderdaad dat de hellingen iets vaker naar het noordwesten of zuidoosten zijn gericht, al zijn de verschillen met andere richtingen niet uitgesproken (tabel 3).

(AANDACHT: om de kaart te bekijken of downloaden in hogere resolutie, klik op de kaart)
Tabel 3. Verdeling van hellingsklassen en hellingsrichtingen
| Hellingen | Richting hellingen | |||
| Klasse | % | Klasse | % | |
| 0 – 2 | 22,7 | ,0 | ||
| >2 – 4 | 32,8 | Noord | 16,5 | |
| >4 – 6 | 17,2 | Noordoost | 12,5 | |
| >6 – 8 | 11,0 | Oost | 12,7 | |
| >8 – 10 | 6,5 | Zuidoost | 14,0 | |
| >10 – 12 | 3,7 | Zuid | 10,9 | |
| >12 – 15 | 3,4 | Zuidwest | 7,7 | |
| >15 – 20 | 1,8 | West | 10,0 | |
| >20 – 25 | 0,5 | Noordwest | 15,8 | |
| >25 | 0,4 | |||
1.5.2. Stroombekkens en interfluvia
De hoge heuvelkam van Kluisberg tot Livierenbos wordt aan de noordkant, ter hoogte van Maarkedal, doorsneden door drie bijna evenwijdige beken: de Hollebeek, Pauwelsbeek en Molenbeek (figuur 2, links). Deze relatief korte beken (6 à 7 km) hebben een vergelijkbaar debiet en monden ten noorden van Etikhove en Maarke-Kerkem uit in de Maarkebeek, die iets verder oostwaarts in de Schelde uitmondt. De Krombeek, een kleinere waterloop ten oosten en noorden van Schorisse, snijdt door het natuurgebied ’t Burreken, waar ook excursiesite 2 ligt. Door deze bekenstructuur krijgt het Maarkebeekbekken een vrij complexe reliëfvorm.
Heel anders is het Zwalmbeeksysteem, dat met zijn 20 km veel langer is. In de bovenloop komen meerdere zijbeken samen in één brede vallei: de vallei van de Zwalmbeek. De meeste van deze zijbeken, zoals de Molenbeek, Sassegembeek, Dorenbosbeek en Verrebeek, ontspringen in de heuvels van het Brakel- en Livierenbos. Omdat de toevoer van water hier sterk geconcentreerd is, vertoont de Zwalmbeek een grillig patroon met lage waterstanden in droge tijden en hoge debieten na regenval. Hierdoor is ze, ondanks verschillende ingrepen, nog steeds gevoelig voor overstromingen.
Een opvallend geomorfologisch kenmerk is dat de oostelijke waterscheiding met het Denderbekken zich op een lagere hoogte bevindt (60–75 m) dan de westelijke grens met het Maarkebeekbekken.
De valleien in dit gebied hebben meestal een asymmetrisch dwarsprofiel: één zijde is steil, de andere zacht hellend. De steile helling ligt vaak aan de noord- of oostkant, de zachte aan de zuid- of westkant. Dit patroon is goed te zien bij de Pauwelsbeek ten westen van Schorisse (figuren 3 en 4), maar ook in de Zwalmvallei (figuren 5 en 6).


Dit asymmetrische profiel is het gevolg van specifieke erosieprocessen (zie sectie 1.8.3). De zones tussen de beken (interfluvia) hebben meestal een convex profiel met soms vlakke toppen (bijv. figuur 3, violet omlijnd).
Kader 2. Wat is een interfluvium?
Een interfluvium is een hoger gelegen gebied tussen twee valleien of stroomgebieden. Het woord komt uit het Latijn (inter = tussen, fluvius = rivier). In Vlaanderen zijn veel interfluvia zacht golvend en bestaan ze vaak uit zandleem of leem. Ze zijn doorgaans droger dan de omliggende valleien en werden traditioneel gebruikt als akkerland. In de Vlaamse Ardennen verwijzen termen zoals “Leie-Schelde interfluvium” dus naar het gebied dat zich uitstrekt tussen beide rivieren.


1.5.3. De Scheldevallei
De laagste delen van de Vlaamse Ardennen liggen in de Scheldevallei en in de benedenlopen van grotere beken zoals de Maarkebeek en Zwalmbeek. Binnen dit laaggelegen gebied zijn er twee niveaus te onderscheiden: een actuele alluviale vlakte op ongeveer 10 meter hoogte, en een laagterras dat tussen 12 en 25 meter ligt. De overgang tussen beide is soms vloeiend, soms abrupt via een knik of zelfs een steilrand.
De alluviale vlakte is, waar ze niet bebouwd is, grotendeels in gebruik als weiland en meersengebied, terwijl het laagterras vooral uit akkerland bestaat, met weilanden in de lager gelegen zones. Figuur 7 toont een hoogteprofiel van de Scheldevallei tussen Bergwijk (NW) en de Rotelenberg (ZO).

Het laagterras is bedekt met leembodems, gevormd uit stof (löss) dat tijdens de laatste ijstijd door de wind werd aangevoerd (zie sectie 1.8.3). De alluviale vlakte bestaat uit kleiige komgronden en zandige oeverwallen, afgezet tijdens overstromingen van de Schelde.