3.1. VA_Woordenlijst

EEN BLIK IN DE DIEPTE: Hoe de ondergrond vorm gaf aan de Vlaamse Ardennen
Woordenlijst

WOORDENLIJST

Deze lijst verduidelijkt een aantal termen die in de tekst worden gebruikt. Voor specialisten zijn ze dagelijkse kost, maar voor niet-specialisten klinken ze soms als Latijn — en dat zijn ze vaak ook, letterlijk. Sommige begrippen worden uitgebreider toegelicht in een kadertekst; dat wordt in deze lijst telkens vermeld.

Alluvium
Inclusief ‘alluviale vlakte‘, alluviale afzetting‘: zie Kader 14

Amorf
Een term die aangeeft dat een materiaal geen kristalstructuur heeft. In de geologie verwijst amorf meestal naar stoffen die geen geordend kristalrooster vertonen en dus geen duidelijke kristalvlakken of breukvlakken hebben. Voorbeelden zijn vulkanisch glas (zoals obsidiaan) of secundaire neerslagen zoals amorf silica of ijzerhydroxide. Het tegenovergestelde van amorf is kristallijn.

Bank
Een relatief dunne, afzonderlijke laag gesteente met een vrij homogene samenstelling en duidelijke grenzen, vaak goed zichtbaar in ontsluitingen. De term wordt vooral gebruikt voor compacte gesteenten zoals kalksteen of zandsteen (bv. kalksteenbank, zandsteenbank). Banken zijn doorgaans enkele centimeters tot decimeters dik en kunnen zich herhalen binnen een grotere afzetting.
In tegenstelling tot een laag, dat als formele lithostratigrafische eenheid kan worden benoemd, heeft een bank geen stratigrafische rang en wordt ze louter gebruikt als beschrijvende aanduiding in het terrein of in kernbeschrijvingen.

Biostratigrafie
Een stratigrafische benadering die gesteentelagen indeelt op basis van de fossielen die erin voorkomen. De aanwezigheid van bepaalde fossielsoorten laat toe lagen te dateren en over grotere afstanden met elkaar te correleren.

Bioturbatie
Het verstoren of herwerken van afzettingen door levende organismen, zoals gravende dieren, wortels of micro-organismen. Bioturbatie kan de oorspronkelijke gelaagdheid van sedimenten verstoren of volledig uitwissen. In zandige afzettingen zijn voorbeelden onder meer verticale gangen van insecten zoals zandbijen en keverlarven, wormsporen, of de gravende activiteit van schaaldieren in mariene milieus. Bioturbatie is een belangrijk kenmerk bij de interpretatie van paleomilieus en bodemvorming.

Bodemdrainage
Zie Kader 6

Bodemhorizont
Een min of meer horizontale laag binnen het bodemprofiel die zich onderscheidt van boven- en onderliggende lagen door kenmerken zoals kleur, textuur, structuur, samenstelling of aanwezigheid van organisch materiaal, insluitsels,enz. Bodemhorizonten ontstaan door bodemvormende processen zoals humusophoping, uitspoeling, inspoeling of verwering. Ze worden aangeduid met letters (zoals A, E, B, C) en vormen samen de opbouw van een bodemprofiel.

Bodemkruip/ bodemvloei
Zie Kader 13.

Bodemprofiel
De verticale doorsnede van een bodem vanaf het oppervlak tot in het onverweerde moedermateriaal, waarin opeenvolgende bodemhorizonten zichtbaar zijn. Een bodemprofiel toont de verticale differentiatie door bodemvormende processen zoals humusophoping, uitspoeling, verwering en structuurvorming. Het vormt de basis voor bodemklassificatie, bodemkartering en interpretatie van bodemgeschiedenis en gebruiksmogelijkheden.

Bodemsubstraat
Zie Kader 7

Bodemtextuur
Zie Kader 5

Bronamfitheater
Zie Kader 3

Chronostratigrafie
De tak van de stratigrafie die gesteentelagen en sedimenten ordent volgens hun ouderdom en relatieve positie in de geologische tijd. Ze vormt de basis voor de geologische tijdschaal met eenheden zoals systeem, serie en etage.

Colluvium
Inclusief ‘colluviale afzetting‘: zie Kader 14

Concretie
Een min of meer afgeronde, lensvormige of onregelmatige ophoping van minerale bestanddelen binnen een gesteente, vaak harder dan het omringende materiaal. Concreties ontstaan doorgaans door neerslag van mineralen uit circulerend grondwater rond een kern (bijvoorbeeld een fossiel, organisch restje of oneffenheid) tijdens of kort na de vorming van het sediment. Ze komen vaak voor in klei- en zandstenen en bestaan bijvoorbeeld uit kalk, ijzerverbindingen of silica.

Convex
Een term die de gebogen vorm van een oppervlak beschrijft: naar buiten gekromd, zoals de buitenzijde van een bol. In geomorfologie en bodemkunde wordt convex gebruikt om reliëfvormen aan te duiden waarvan het oppervlak afloopt in alle richtingen, bijvoorbeeld een heuveltop of bolronde rug. Het tegenovergestelde is concaaf (naar binnen gekromd).

Dwarsprofiel
Een verticale doorsnede loodrecht op de hoofdrichting van een geologische of landschappelijke structuur, zoals een vallei, heuvelrug of plooi. Een dwarsprofiel toont het hoogteverloop en de interne opbouw van het terrein of van gesteentelagen haaks op die structuur, en helpt bij het analyseren van reliëfvormen, stratigrafie of bodemopbouw.

Foraminiferen
Een groep éencellige organismen met een uitwendig kalkskelet die fossiel bewaard kunnen blijven; onderverdeeld in planktonisch (drijvend) en benthisch (bodemlevend). Ze worden vaak gebruikt als gidsfossielen voor het achterhalen van het afzettingsmilieu en zeespiegelveranderingen.

Formatie
Een lithostratigrafische eenheid die bestaat uit een herkenbare opeenvolging van gesteenten met overwegend gelijkaardige lithologische kenmerken. Een formatie is voldoende dik en ruimtelijk verspreid om op geologische kaarten weergegeven te worden. Voorbeelden in Vlaanderen zijn de Formatie van Kortrijk (klei) en de Formatie van Gent (zand en silt).

Geïntercaleerde hellingafzettingen
Afzettingen die ontstaan zijn op of aan hellingen (zoals colluvium, solifluctiemateriaal of puinwaaiers) en die als tussenlagen voorkomen binnen een andere sedimentaire opeenvolging, zoals zanden of kleien. Ze wijzen op kortstondige periodes van hellingprocessen, bijvoorbeeld onder koud-klimaatomstandigheden, tussen meer continue fasen van andere afzetting. Zulke geïntercalleerde lagen zijn belangrijke indicatoren van milieuwisselingen in het verleden.

Geologisch transect
(ook wel doorsnede of profiel)
Een denkbeeldige lijn of strook dwars door een gebied, waarlangs geologische gegevens systematisch worden verzameld en geanalyseerd. Een geologisch transect toont vaak de opeenvolging, structuur en aard van gesteenten, breuken, plooien of andere geologische kenmerken over een bepaalde afstand (zie dit voorbeeld) en helpt om de ruimtelijke opbouw van de ondergrond te begrijpen.

Geomorfologisch kenmerk
Een algemene vorm of structuur in het landschap die ontstaan is door natuurlijke processen zoals erosie, verwering, sedimentatie of tektoniek. Voorbeelden zijn heuvels, dalen, terrassen, ruggen en vlaktes. Zulke kenmerken komen in vele regio’s voor en vormen de basis voor geomorfologische beschrijvingen.

Geomorfologisch fenomeen
Een oppervlakte en/of ondergrond gerelateerd verschijnsel dat kenmerkend of opvallend is voor een specifieke regio. In de Vlaamse Ardennen zijn dat bijvoorbeeld bronnen aan hellingvoeten, zones met actieve bodemerosie of recente grondverschuivingen. Zulke fenomenen wijzen op actuele of recente dynamiek in het landschap en kunnen belangrijke indicatoren zijn van natuurlijke risico’s of bodemprocessen.

Glauconiet
Een groen mineraal uit de groep van de kleimineralen, typisch voor mariene sedimenten die traag zijn afgezet in ondiepe zeeën. Glauconiet ontstaat tijdens de afzetting en komt vaak voor in zanden, waarbij het ze een karakteristieke grijsgroene tot donkergroene kleur geeft. Het wordt beschouwd als een indicator van mariene afzettingsomstandigheden en kan ook helpen bij stratigrafische correlatie.
Meer over de rol van glauconiet in de vorming van het Vlaamse Ardennen landschap: zie Kader 11

Gley
Een kenmerk van permanent of langdurig natte bodems, zichtbaar als grijze, blauwgrijze of groenige verkleuringen, vaak met roestbruine vlekken. Ze ontstaan door zuurstofgebrek, waardoor ijzerverbindingen worden gereduceerd en verplaatst. Gleyvorming komt voor in slecht gedraineerde bodems, meestal in laaggelegen of overstroombare zones met hoge grondwaterstanden. De diepte en intensiteit van deze verschijnselen vormen een belangrijke basis voor het bepalen van drainageklassen bij bodemkartering (zie Kader 6).

Glimmer
Een groep glanzende, plaatvormige silicaten die gemakkelijk in dunne blaadjes splijten. Glimmers komen veel voor in metamorfe en magmatische gesteenten en zijn ook als bestanddeel aanwezig in sommige zandige of leemrijke bodems. De twee belangrijkste soorten zijn muscoviet (lichtkleurig) en biotiet (donkerbruin tot zwart). Door hun glans en bladstructuur zijn glimmers in het veld vaak goed herkenbaar.

Goethiet
Een ijzer(hydroxy)oxide-mineraal met de formule α-FeO(OH), dat vaak voorkomt als gele tot bruinachtige kleurstof in bodems en verweerde gesteenten. Goethiet ontstaat door oxidatie van ijzerhoudende mineralen in vochtige, zuurstofrijke omstandigheden en is verantwoordelijk voor de typische geelbruine tinten in veel bodems. Het is een belangrijk indicatormineraal in bodemkunde en verweringsonderzoek (zie ook Plinthiet)

Grind
Afgeronde of hoekig-afgeronde gesteentefragmenten met een korrelgrootte tussen 2 mm en 64 mm[1]. Grind (pebbles, EN) ontstaat meestal door erosie en transport via water of ijs, waarbij scherpe hoeken afslijten. Het komt voor in rivierterrassen, alluviale vlakten en glaciale afzettingen. Grind is grover dan zand, maar fijner dan keien (cobbles, EN), die een korrelgrootte boven 64 mm hebben. Grind levert belangrijke aanwijzingen over de herkomst en transportwijze van sedimenten.

Groep
Een hoger niveau in de lithostratigrafie dan een formatie. Een groep bundelt twee of meer formaties die qua afzettingsmilieu, ouderdom en ruimtelijk verband verwant zijn. Niet alle formaties maken deel uit van een groep: bijvoorbeeld, de formatie van Maldegem is niet geassociëerd met een groep, mogelijk wegens de grote lithologische variatie binnen een relatief kleine periode (zie Stratigrafische tabel)

Hellingprofiel
Een type hoogteprofiel dat specifiek het verloop van een helling weergeeft, van de top tot aan de voet. Het toont veranderingen in hellingsgraad, lengte en vorm (bijvoorbeeld convex, recht, concaaf) en wordt gebruikt om erosiegevoeligheid, bodemontwikkeling of afstromingspatronen te analyseren.

Hematiet
Een ijzeroxide-mineraal met de chemische formule Fe₂O₃, herkenbaar aan zijn roodbruine tot bijna zwarte kleur en metaalachtige glans. Hematiet ontstaat door oxidatie van ijzerhoudende mineralen in relatief droge en goed verluchte omstandigheden. Het geeft bodems en verweerde gesteenten hun typische rode of roestbruine kleur.

Hoogteprofiel
Een grafische voorstelling van het hoogteverloop van een terrein langs een denkbeeldige lijn, meestal in de vorm van een dwars- of langsdoorsnede. Een hoogteprofiel toont hoe het landschap stijgt en daalt en wordt gebruikt om reliëfvormen zoals hellingen, valleien, ruggen of terrassen te analyseren.

Intercalatie
Het tussenvoegen of inschakelen van een laag of afzetting binnen een bestaande opeenvolging van sedimenten of gesteenten. Een intercalatie ontstaat wanneer tijdens een langdurige afzettingsperiode tijdelijk een ander soort materiaal wordt afgezet, bijvoorbeeld door een verandering in milieu, aanvoer of erosie. Het resultaat is een inspringende laag met afwijkende kenmerken ten opzichte van het omgevende materiaal.

Interfluvium
Zie Kader 2

Inversie (van het reliëf, landschap)
Een geomorfologisch verschijnsel waarbij de oorspronkelijke hoogteverhoudingen in het landschap zijn omgekeerd: wat vroeger een laagte of vallei was, komt nu als verhevenheid voor, en omgekeerd. Dit gebeurt meestal doordat hardere of beter beschermde lagen (zoals lateriet, basalt) trager eroderen dan hun omgeving, waardoor ze als ruggen of heuvels achterblijven.

Isohypsen
Lijnen op een kaart die punten met dezelfde hoogte ten opzichte van zeeniveau verbinden. In een geologische context worden ze gebruikt om het reliëf van ondergrondse lagen of structuren weer te geven. In deze gids verwijst de term specifiek naar de diepteligging van de Krijtsokkel: de top van de krijtlaag waarop jongere afzettingen rusten. Isohypsenkaarten maken het mogelijk om de vorm en het verloop van deze ondergrondse grens te reconstrueren.

Komgrond
Een laaggelegen, vlak tot zwak golvend gebied in een alluviale vlakte, vaak op enige afstand van de rivier. Komgronden liggen lager dan de omliggende oeverwallen en vangen bij overstromingen het water op dat daar overheen stroomt. Ze zijn opgebouwd uit fijne sedimenten zoals klei en veen en zijn doorgaans slecht gedraineerd. Komgronden zijn typisch voor het reliëf van rivieren die regelmatig buiten hun oevers treden.

Kruisgelaagdheid
Een structuur in gelaagde sedimenten waarbij dunne, schuingelegen laagjes (laminae) onder een andere hoek staan dan de hoofdlagen (bedden) waarin ze voorkomen. Kruisgelaagdheid ontstaat door sedimenttransport in stromend water of wind, waarbij zich schuine afzettingsvlakken vormen aan de lijzijde van zandribbels of duinen. Ze is kenmerkend voor dynamische omgevingen zoals rivierbeddingen, delta’s en woestijnen, en vormt een belangrijk paleomilieusignaal bij de interpretatie van oude sedimentgesteenten.

Kwarts
Een hard, chemisch zeer stabiel mineraal met de formule SiO₂ (siliciumdioxide), dat behoort tot de groep van de silicaatmineralen. Kwarts is kleurloos tot wit, maar kan ook andere tinten aannemen (bijv. rozekwarts, rookkwarts) door onzuiverheden. Het komt zeer veel voor in de aardkorst, onder meer in graniet, zandsteen en als losse zandkorrels. Door zijn hardheid en weerstand tegen verwering is kwarts vaak het dominante mineraal in zandige bodems en afzettingen.

Laag
De kleinste formele eenheid in de lithostratigrafie. Een laag is een dunne, duidelijk herkenbare gesteente-afzetting met consistente lithologische eigenschappen, die zich onderscheidt van boven- en onderliggende lagen. Ze is meestal lokaal van belang en wordt enkel als aparte eenheid benoemd wanneer ze stratigrafisch of geologisch relevant is, bijvoorbeeld als markeringslaag.

Laagterras
Een relatief vlakke, verhoogde zone langs een rivier, gevormd door vroegere alluviale afzettingen die later door insnijding van de rivier zijn afgesneden van de actieve overstromingsvlakte. Laagterrassen liggen enkele meters boven het huidige rivierniveau en zijn aldus ouder dan de huidige alluviale vlakte.

Lid
Een subeenheid binnen een formatie, met eigen lithologische kenmerken die het onderscheiden van andere delen van dezelfde formatie. Een lid is doorgaans regionaal beperkt maar wel stratigrafisch herkenbaar. Voorbeelden zijn het Lid van Vlierzele (in de Formatie van Gent) en het Lid van Aalbeke (in de Formatie van Kortrijk).

LIDAR
LIDAR (Light Detection and Ranging) is een meetmethode waarbij laserpulsen vanaf een sensor (op een vliegtuig, drone of voertuig) naar het aardoppervlak of objecten worden gestuurd. Door de tijd te meten die de teruggekaatste pulsen nodig hebben om terug te keren, wordt de afstand uiterst precies berekend. Dit levert een driedimensionaal puntenbestand (point cloud) op waarmee zeer gedetailleerde hoogte- en terreinmodellen, vegetatiestructuren of gebouwvormen kunnen worden afgeleid. LIDAR wordt veel gebruikt in geografie, archeologie, bosbeheer en waterbeheer.

Limoniet
Een geel- tot roestbruine ijzer(hydroxy)oxide met variabele samenstelling, die ontstaat door verwering of oxidatie van ijzerhoudende mineralen. In tegenstelling tot goethiet, waarmee het chemisch verwant is, is limoniet geen kristallijn mineraal, maar een mengsel van amorfe tot slecht gekristalliseerde ijzerverbindingen, vaak aanwezig als fijnkorrelige massa of korst. Het komt veel voor in verweerde gesteenten, bodemprofielen en ijzerrijke afzettingen, en vormt samen met goethiet en hematiet een belangrijke aanwijzing voor het oxidatie- en vochtregime in bodems en verweringsmilieus.

Lithologie
De beschrijving en indeling van gesteenten op basis van hun uiterlijke en fysische kenmerken, zoals korrelgrootte, kleur, mineraalsamenstelling en structuur. Lithologie vormt de basis voor het herkennen en onderscheiden van gesteentelagen in het veld of in boringen.

Lithostratigrafie
Een deelgebied van de stratigrafie dat gesteentelagen indeelt op basis van hun lithologische eigenschappen zoals korrelgrootte, kleur, samenstelling en structuur. Eenheden binnen de lithostratigrafie zijn onder andere formatie, lid en laag.

Microfossielen
Fossielen van organismen of delen van organismen die microscopisch klein zijn (meestal < 1 mm) doch groter dan nanofossielen, zoals foraminiferen, ostracoden, pollen, diatomeeën, pollen.

Micropaleontologie
De tak van de paleontologie die zich bezighoudt met fossielen die zo klein zijn dat ze meestal gezien worden onder microscoop – zoals microfossielen en nanofossielen.
Micropaleontologie is belangrijk voor het reconstrueren van afzettingsomgevingen (zee, rivier, meer),  leeftijdsbepaling, en transities tussen zee en land.

Microreliëf
Kleine hoogteverschillen in het landschap, meestal met een verticale amplitude van enkele centimeters tot enkele meters. Microreliëf omvat subtiele vormen zoals greppels, rugjes, kuiltjes, afschuivingsrichels of ploegsporen, en kan zowel natuurlijk (bv. door bodemprocessen, wortelactiviteit, erosie) als antropogeen (bv. door landbouw, bouwwerkzaamheden) ontstaan.

Nanofossielen
Minuscule fossielen, kleiner dan 30 micrometer (< 0,03 mm). Ze lijken sterk op de coccolieten die vandaag nog altijd worden afgezet door de coccolithoforen (eencellige algen). Omdat deze nanoplanktonsoorten in enorme aantallen voorkwamen én zich snel ontwikkelden, zijn hun fossielen bijzonder bruikbaar om gesteenten te dateren. Ze kunnen zeer fijnmazige informatie geven over zeechemie, temperatuur, milieuvariaties op korte tijdschalen.

(Niveo-)eolische afzettingen
Zie Kader 12

Nummulieten
Fossiele, meestal schijfvormige kalkskeletjes van uitgestorven eencellige zeediertjes uit de groep van de foraminiferen. Ze leefden in warme, ondiepe zeeën en zijn vooral bekend uit het Eoceen. Nummulieten kunnen enkele centimeters groot worden en komen massaal voor in sommige kalksteenformaties. Hun opvallende vorm en verspreiding maken ze tot belangrijke leidfossielen voor de datering en interpretatie van mariene afzettingen in het Tertiair.

Oeverwal
Een langgerekte, iets verhoogde zone langs een rivier, ontstaan door afzetting van zandig slib tijdens overstromingen. Doordat zwaardere sedimenten dicht bij de rivierbedding neerslaan, vormen zich oeverwallen die geleidelijk in hoogte afnemen naar de komgronden toe. Oeverwallen zijn beter gedraineerd en vaak geschikt voor bewoning of landbouw. Ze maken deel uit van het natuurlijke overstromingsreliëf.

Ontsluiting (geologie)
Een plaats waar gesteentelagen of sedimenten aan het oppervlak zichtbaar zijn, doordat de bodem- en vegetatiebedekking ontbreekt of verwijderd is. Ontsluitingen komen natuurlijk voor (bijvoorbeeld in kliffen, rivieroevers, erosiewanden) of kunstmatig (zoals in groeves, wegtaluds of boringen). Ze vormen cruciale observatiepunten voor geologen en bodemkundigen om de opbouw, structuur, samenstelling en ouderdom van het onderliggende materiaal te bestuderen.

Paleo-geografie
De studie van de aardoppervlakte en landschappen in vroegere geologische periodes. Paleo-geografie reconstrueert hoe zeeën, continenten, riviersystemen, klimaten en ecosystemen er in het verleden uitzagen, op basis van gegevens uit geologie, paleontologie, sedimentologie en tektoniek.

Periglaciale omstandigheden en processen
Klimaatomstandigheden en bijhorende fysische processen die voorkomen in koude, niet permanent met ijs bedekte gebieden aan de rand van gletsjers of ijskappen. Periglaciale omgevingen worden gekenmerkt door permafrost, intense vorst-dooi cycli en bodemprocessen zoals vorstverwering, vorstwigvorming, solifluctie en cryoturbatie (verstoring door herhaald bevriezen en ontdooien).

Petroplinthiet
De verharde vorm van plinthiet, ontstaan door langdurige of herhaalde blootstelling aan droging en oxidatie. Petroplinthiet is steenachtig, soms ondoorlaatbaar en kan moeilijk worden doorboord. In tropische gebieden komt het door erosie van het bovenliggende zachter materiaal dikwijls aan het oppervlak te liggen als een ijzerharde laag (ook wel lateritisch oppervlak genoemd).

Plinthiet
Een ijzerrijk bodemmateriaal dat bestaat uit aggregaten van ijzeroxiden (voornamelijk goethiet) en klei. Het vertoont vaak vlekken of banden van rode, gele en grijze kleuren, is nog niet verhard, maar wel cohesief. Bij herhaalde uitdroging (door drainage of blootstelling aan de zon) kan het onomkeerbaar verstenen (zie Petroplinthiet). Plinthiet komt voor in bodems met wisselend nat/droog klimaat.

Sediment
Los, ongeconsolideerd materiaal dat is afgezet door wind, water, ijs of zwaartekracht. Sediment bestaat uit fragmenten van gesteenten, mineralen of organisch materiaal met uiteenlopende korrelgroottes, van klei tot grind en keien.
Sedimentair materiaal vormt de basis voor latere gesteentevorming (bijv. zandsteen, kleisteen) als het wordt geconsolideerd.

Sedimentatie
Het proces waarbij sediment wordt afgezet, na transport. Dit gebeurt wanneer de draagkracht van het transportmedium (water, wind, ijs) afneemt, bijvoorbeeld bij een rivier die uitmondt in een meer of bij het smelten van gletsjers.

Sedimentair patroon
De ruimtelijke of temporele spreiding van sedimenten, beïnvloed door het afzettingsmilieu (zoals rivier, delta, kustvlakte), stroomrichting, energie van het transportmiddel en tektonische of klimatologische factoren. Sedimentaire patronen onthullen belangrijke informatie over vroegere omgevingsomstandigheden.

Sesquioxiden
In de bodem- en geowetenschappen verwijst de term meestal naar ijzer- (Fe₂O₃) en aluminiumoxiden (Al₂O₃). Sesquioxiden zijn belangrijke bestanddelen van sterk verweerde bodems en spelen een cruciale rol bij de klei-mineraalvorming, bodemeigenschappen en kleur. Ze beïnvloeden de bodemstructuur, vruchtbaarheid en waterhuishouding.

Soil creep
Zie Kader 13

Sokkel
In de geologie verwijst een sokkel naar een relatief stabiele, harde ondergrond waarop jongere gesteentelagen of sedimenten rusten. In deze gids slaat de term op de Krijtsokkel: de top van de krijtlaag die als ondergrond fungeert voor de jongere afzettingen uit het Paleogeen. Deze sokkel kan ondiep of diep liggen en vertoont vaak reliëf (=> isohypsen) als gevolg van erosie vóór de afzetting van jongere lagen.

Solifluctie
Zie Kader 13

Stratigrafie
De wetenschap die zich bezighoudt met de opbouw, opeenvolging en ouderdom van gesteentelagen (strata). Stratigrafie probeert via verschillende benaderingen – zoals biostratigrafie, chronostratigrafie en lithostratigrafie –  inzicht te krijgen in de geologische geschiedenis van een gebied.

Stratigrafische tabel
Een overzicht van de opeenvolging van gesteentelagen/sedimenten en geologische tijdseenheden. De tabel combineert chronostratigrafie (tijd) en lithostratigrafie (gesteenten) en toont hoe verschillende formaties en leden zich tot elkaar verhouden.
→ Meer hierover en hoe de Tabel te interpreteren in Kader 9.

Stroombekken
Het gebied waarvan alle neerslag en afvloeiend water via een netwerk van beken en rivieren verzameld wordt en afstroomt naar een gemeenschappelijke uitmonding, zoals een riviermond, meer of zee. Stroombekkens worden begrensd door waterscheidingen (watersheds) en vormen de basis voor hydrologische, ecologische en ruimtelijke analyses van waterlopen en waterbeheer.

Terracette
Kleine, trapachtige opstapjes of richelvormige microvormen op hellingen, meestal ontstaan door langzame bodemverschuivingen of cryoturbatie in periglaciale gebieden. Terracettes kunnen worden veroorzaakt door factoren zoals grondwaterstroming, vorstwerking of vegetatie-invloed en zijn zichtbaar als regelmatige horizontale of licht golvende lijnen die het reliëf onderbreken.

Veldstenen
Zie Kader 15


[1] Volgens de Udden-Wenthworth schaal