EEN BLIK IN DE DIEPTE: Hoe de ondergrond vorm gaf aan de Vlaamse Ardennen
Hoofdstuk 1: Situering Vlaamse Ardennen
1.5.4. Typische geomorfologische fenomenen
1.5.4.1. Bronnen
In de Vlaamse Ardennen komen op veel plaatsen bronnen voor: plekken waar grondwater spontaan aan de oppervlakte komt. Vroeger waren die vaak bepalend voor de locatie van hoeves en nederzettingen. Een zichtbaar voorbeeld is de kransvormige bebouwing rond de Bossenareheuvel in Maarkedal, op de overgang tussen zanderige en kleiige ondergrondlagen (figuur 8).

Brontypes ontstaan waar zandige, waterdoorlatende lagen op kleiige, waterkerende afzettingen rusten. Omdat deze lagen lichtjes naar het noorden afhellen, liggen de meeste bronnen aan de zuid- of westkant van valleien.
Volgens Diriken (2001) ligt het belangrijkste bronniveau op de overgang van zand naar klei binnen het Paniseliaan. In huidige termen komt dat overeen met de grens tussen het Lid van Vlierzele (zand) en het Lid van Merelbeke (klei), beide onderdeel van de Formatie van Gent (zie tabellen 10 en 11).
Veel bronnen zijn inmiddels verdwenen door bebouwing, maar enkele worden beschermd, bijvoorbeeld in het natuurgebied ’t Burreken. Slechts één bron, de Topbronnen in Brakel, wordt commercieel benut, al is het aandeel water uit tertiaire afzettingen daar beperkt.
1.5.4.2. Bodemerosie
Erosie is het proces waarbij de bovenste, vruchtbare bodemlaag wegspoelt door regenwater. Het is een traag proces – enkele millimeters tot centimeters per jaar – maar gebeurt over grote oppervlakken en leidt dus tot aanzienlijke bodemverliezen. Door de combinatie van steile hellingen, erosiegevoelige leembodems en intensieve akkerbouw is dit gebied bijzonder gevoelig voor erosie. Ongeveer 60% van de Vlaamse Ardennen is erosiegevoelig (Kaart 9), tegenover gemiddeld 22% voor Vlaanderen. Alleen de alluviale vlakten, dalbodems en vlakke heuveltoppen zijn relatief veilig.

(AANDACHT: om de kaart te bekijken of downloaden in hogere resolutie, klik op de kaart)
1.5.4.3. Grondverschuivingen
In tegenstelling tot erosie zijn grondverschuivingen snelle massabewegingen van bodemmateriaal langs een helling. De Vlaamse Ardennen zijn een echte hotspot op dit vlak. Zowel de potentieel gevoelige gebieden als de al getroffen zones behoren tot de hoogste in Vlaanderen (Kaart 10).

(AANDACHT: om de kaart te bekijken of downloaden in hogere resolutie, klik op de kaart)
Factoren die het risico verhogen zijn onder andere de hellingsgraad (Kaart 11 en tabel 4), oriëntatie (vaak NW, W, ZW of Z), en de samenstelling van de ondergrond – vooral kleiige en zandige lagen die afwisselen (zoals bij de formaties van Gent/lid van Vlierzele en lid van Merelbeke, de formatie van Tielt en de formatie van Kortrijk, lid van Aalbeke[1]). De aanwezigheid van glauconiet (tabel 13), een mineraal dat makkelijk verbrokkelt, kan ook bijdragen tot instabiliteit.
[1] Voor meer details over deze afzettingen, zie sectie 1.8.1.

(AANDACHT: om de kaart te bekijken of downloaden in hogere resolutie, klik op de kaart)
Tabel 4. Aandeel van verschillende hellingsklassen op terrein met grondverschuivingen
Tabel 5. Gevoeligheid voor grondverschuivingen
| Hellingsgraad (%) | % in verschoven terrein | % in de Vlaamse Ardennen |
| 0 – 2 | 0.1 | 22.7 |
| >2 – 4 | 0.9 | 32.8 |
| >4 – 6 | 3.0 | 17.2 |
| >6 – 8 | 8.5 | 11.0 |
| >8 – 10 | 14.5 | 6.5 |
| >10 – 12 | 16.3 | 3.7 |
| >12 – 15 | 26.5 | 3.4 |
| >15 – 20 | 20.3 | 1.8 |
| >20 – 25 | 6.7 | 0.5 |
| >25 | 3.1 | 0.4 |
Er zijn in totaal 217 grondverschuivingen geïnventariseerd, goed voor 703 ha. De meeste zijn diepgeworteld in tertiaire lagen (sectie 1.8.2). De grootste, in het Muziekbos (Ronse), beslaat 42 ha over 820 m lengte; de kleinste meet 100 m². In excursiesite 2 bevindt zich de derde grootste verschuiving.
Grondverschuivingen worden in eerste instantie opgespoord via veldwaarnemingen. Deze methode levert zeer gedetailleerde en nauwkeurige informatie en kan ook kleine of verborgen verschuivingen detecteren. Ze is echter arbeidsintensief en daardoor meestal beperkt tot relatief kleine gebieden.
Met LIDAR (Light Detection and Ranging) kan men veel grotere zones in kaart brengen en uiterst nauwkeurige digitale hoogtemodellen maken, ook onder bos. Voor de Vlaamse Ardennen is zo een bijna volledige dekking gerealiseerd met een resolutie van 1 m. Grondverschuivingen vallen daarop vaak op door hun karakteristieke oppervlakkige onregelmatigheden en ‘verfrommelde’ topografie (figuur 9).

De onregelmatige topografie van het verschoven gebied contrasteert sterk met het ‘gladde’ omliggende reliëf.
Oude verschuivingen zijn vaak goed geïntegreerd in het landschap en aangepast in gebruik, meestal bos. Nieuwere verschuivingen zijn meestal heractiveringen van oudere structuren. Rond bronnen komt soms achterwaartse erosie voor, die leidt tot instortingen en de vorming van bronamfitheaters: halve cirkels met steile wanden, die opnieuw kunnen instabiel worden en daarom vaak bebost zijn (figuren 10 en 11). Bronamfitheathers ontstaan waar grondwater aan de oppervlakte komt en een bron vormt. Door het uitspoelen van het omliggende materiaal ontstaat vaak een halfronde of hoefijzervormige uitholling in het reliëf — vandaar de vergelijking met een amfitheater. Zulke vormen komen regelmatig voor in de Vlaamse Ardennen, waar hellingen en onderliggende kleilagen het opstuwen van grondwater bevorderen. Ze zijn herkenbaar in het veld als uitgesneden, natte komvormige plekken op de flank van een helling.

De rode pijl wijst naar een bebost bronamfitheater ten noorden van de Hekkebrugstraat.
