3.1. VA_1.7

EEN BLIK IN DE DIEPTE: Hoe de ondergrond vorm gaf aan de Vlaamse Ardennen
Hoofdstuk 1: Situering Vlaamse Ardennen

1.7. BODEMBEDEKKING

Zoals eerder opgemerkt (zie sectie 1.6) hangt het grote belang van landbouw in de Vlaamse Ardennen nauw samen met het type bodem dat deze streek kenmerkt. De bodem kan worden beschouwd als de huid van de aardkorst: een dunne, maar uiterst vitale laag waarin geologische, klimatologische, biologische en menselijke processen samenkomen. Net zoals de huid bij een levend organisme vervult de bodem een beschermende, regulerende en voedende functie – een essentiële schakel tussen ondergrond en landschap.

De Fysische Systeemkaart van Vlaanderen (Kaart 19) is een generalisatie van de Belgische bodemkaart (1 : 20 000) waarin bodemkaarteenheden werden samengevoegd tot zones, gekenmerkt door bodem-, reliëf- en hydrologische landschapkenmerken.

KAART 19. Fysische systemen: een veralgemeende bodemkaart
(AANDACHT: om de kaart te bekijken of downloaden in hogere resolutie, klik op de kaart)

In het Belgische classificatiesysteem worden bodemtypes onderscheiden op basis van verschillende kenmerken, waarvan de belangrijkste zijn: de textuur, de natuurlijke drainage, het substraat en de profielontwikkeling. Omdat deze tekst geen inleidende cursus bodemkunde beoogt, beperken we ons tot de drie aspecten die het sterkst bepalen hoe een bodem functioneert in het landschap.

1.7.1. Bodemtextuur

Een ruime meerderheid van de bodems – maar liefst 77% – is gevormd in leem en zandleem (Kaart 20 en tabel 8). Deze texturen combineren verschillende landbouwkundige voordelen: ze zijn goed doorlatend, houden voldoende vocht vast en laten zich relatief gemakkelijk bewerken. Dat maakt ze bijzonder geschikt voor intensieve akkerbouw en veeteelt.

KAART 20. Bodemtextuur
(AANDACHT: om de kaart te bekijken of downloaden in hogere resolutie, klik op de kaart)

Tabel 8. Bodemtexturen in de Vlaamse Ardennen[1]

Textuurhectare%
klei2.3674,0
zware klei5030,8
veen30,0
leem23.98240,1
stenige leem130,0
zandleem20.23733,8
zandleem + klei420,1
zandleem + zware klei40,0
licht zandleem1.5982,7
lemig zand2.5184,2
lemig zand + klei180,0
zand1.4252,4
brongebieden950,2
verstoord (urbaan)7.06611,8

[1] Schattingen gebaseerd op pixeltelling van Kaart 13A

In contrast daarmee beslaan zand- en kleibodems samen slechts 11,4% van het landschap. Die zijn minder gunstig voor landbouw: zandgronden drogen snel uit en kleigronden kampen vaak met slechte waterafvoer, wat leidt tot waterverzadiging.

Ook verstoorde en verstedelijkte bodems – goed voor 11,8% – zijn uitgesloten van landbouwgebruik. Tenslotte is het aandeel veen, brongebieden en stenige bodems verwaarloosbaar klein.

De conclusie is duidelijk: de Vlaamse Ardennen beschikken over een bodemtextuur die in meer dan drie vierde van het gebied optimaal is voor landbouw, terwijl minder geschikte bodems ruim onder de 15% blijven. Dat verklaart het intensieve landbouwgebruik in deze regio.

KADER 5. Wat is bodemtextuur?

Bodemtextuur verwijst naar de verhouding tussen zand, silt en klei in de minerale bestanddelen van de bodem. Deze drie korrelgroottes bepalen in sterke mate hoe een bodem aanvoelt, hoe hij zich gedraagt, en hoe geschikt hij is voor landbouw.
• Zand bestaat uit relatief grote korrels (0,05–2 mm). Zandige bodems zijn los van structuur, goed doorlatend maar houden nauwelijks water en voedingsstoffen vast.
• Klei bestaat uit uiterst fijne deeltjes (< 0,002 mm). Klei houdt veel water vast, maar heeft een slechte drainage en is moeilijk te bewerken als het nat is.
• Silt[1] zit tussen zand en klei in (0.002 – 2 mm), zowel qua korrelgrootte als qua eigenschappen. Het combineert een goede vocht- en luchtbalans met redelijke bewerkbaarheid.

De textuurklasse van een bodem wordt bepaald aan de hand van de relatieve fracties van zand, silt en klei, zoals afgebeeld in het driehoeksdiagram van figuur 15.

Figuur 15. Textuurklassen in de Belgische bodemklassificatie (bron: BOC[2])

De ideale landbouwbodem bevat een gebalanceerde mix van deze fracties – vaak aangeduid als leem, zandleem of lemig zand. Deze mengtypes zijn vochthoudend, laten lucht toe tot in de wortelzone en zijn relatief gemakkelijk te ploegen of frezen. Niet toevallig komen zulke texturen veel voor in vruchtbare landbouwstreken zoals de Vlaamse Ardennen. Textuur wordt vaak verward met structuur (de manier waarop bodemdeeltjes aan elkaar klitten) of met het substraat (het moedermateriaal waarop de bodem gevormd is), maar het zijn verschillende eigenschappen. Textuur is een blijvende eigenschap van de bodem: ze verandert nauwelijks met het klimaat of het landgebruik.

[1]  In strikte zin verwijst de term ‘silt’ naar een specifieke korrelgrootteklasse (tussen klei en zand), terwijl ‘leem’ vooral gebruikt wordt in een landbouwkundige context of als textuurklasse in het Belgische classificatiesysteem (figuur 14). In die laatste betekenis omvat ‘leem’ de siltfractie, maar is het geen exact synoniem.
[2] Bron: BOC Versie 2.1. 2017. Compendium voor de monsterneming, meting en analyse in het kader van bodembescherming (BOC). https://reflabos.vito.be/2017/BOC_versie_2.1.pdf

1.7.2. Natuurlijke drainage

Niet alleen de textuur is bepalend voor de landbouwgeschiktheid van een bodem, ook de natuurlijke drainage speelt een sleutelrol. Ze bepaalt in welke mate overtollig water uit de bodem kan wegvloeien en hoe vaak de bodem met water verzadigd raakt.

Kader 6. Hoe wordt natuurlijke drainage geklasseerd in België?

De natuurlijke drainage van een bodem wordt in België traditioneel bepaald op basis van zogeheten gleyverschijnselen – kleurveranderingen in de bodem door langdurige waterverzadiging. Typische kenmerken zijn grijze reductiehorizonten en roestbruine vlekken of strepen.

Op basis van de diepte en intensiteit van deze sporen worden bodems onderverdeeld in drainageklassen, aangeduid met Romeinse cijfers van I (uiterst nat) tot VII (zeer droog). Deze klassificatie weerspiegelt de potentiële drainage onder natuurlijke omstandigheden, zonder menselijke beïnvloeding. Ze wordt weergegeven op bodemkaarten zoals kaart 21 en samengevat in tabel 9.

Tabel 9. Natuurlijke drainageklassen in de Belgische bodemklassificatie

KlasseOmschrijvingTypische diepte gley
IUiterst nat, permanent waterverzadigdaan of nabij het oppervlak
IIZeer nat, langdurige waterverzadigingvanaf 0–40 cm
IIINat, seizoensgebonden verzadigingvanaf 40–80 cm
IVMatig, tijdelijke verzadigingvanaf 80–120 cm
VGoed gedraineerdzwakke gley >120 cm
VIDrooggeen gley
VIIZeer droogsterk waterdoorlatende bodems (vb. zand)

Bron:
BGD – Bodemkundige Grondgegevensdienst van België. Methodologie bodemkartering (versie 2.0). www.dov.vlaanderen.be (2023).

De drainageklassen gekarteerd in de Vlaamse Ardennen variëren van uiterst nat tot zeer droog (kaart 21 en tabel 10).  Meer dan de helft van het bodemareaal (52%) heeft een goede natuurlijke drainage. Zulke bodems komen vooral voor op heuvelruggen, plateaus en hellingen, en zijn bijzonder geschikt voor akkerbouw. In de valleien en laaggelegen delen van het landschap (38%) komen daarentegen vaker natte bodems voor, met duidelijke sporen van langdurige verzadiging. Die gronden zijn minder geschikt voor akkerbouw, maar kunnen goed functioneren als blijvend grasland.

KAART 21. Drainageklassen
(AANDACHT: om de kaart te bekijken of downloaden in hogere resolutie, klik op de kaart)

Tabel 10. Natuurlijke drainageklassen in de Vlaamse Ardennen [1]

Drainagehectare%
Zeer droog, niet gleyig10,0
Complex van zeer droog, niet gleyig tot droog, niet gleyig150,0
Droog, niet gleyig15.81726,4
Matig droog, zwak gleyig12.67821,2
Complex van droog, zwak gleyig tot matig droog, matig gleyig2.5964,3
Complex van zeer droog, niet gleyig tot matig nat, matig gleyig520,1
Matig nat, matig gleyig13.77623,0
Nat met relatief hoge ligging, sterk gleyig2.3623,9
Nat, sterk gleyig met reductiehorizont4.1046,9
Zeer nat, zeer sterk gleyig met reductiehorizont1.2072,0
Uiterst nat, gereduceerd990,2
Bebouwd: kunstmatig gedraineerd7.16512,0

[1] Schattingen gebaseerd op pixeltelling van Kaart 13B

Het is wel belangrijk te beseffen dat drainageklassen gebaseerd zijn op historische veldwaarnemingen. De actuele toestand kan gewijzigd zijn door menselijke ingrepen, zoals kunstmatige drainering of ophoging – vooral in zones met bebouwing. Figuur 16 toont een voorbeeld waarbij de actuele situatie duidelijk afwijkt van wat de bodemkaart suggereert.

Figuur 16. Typische gleyverschijnselen, gekenmerkt door afwisselende roestige en grijze kleuren,
in een kleibodem, opgegraven bij de aanleg van een kunstmatige drainage rondom mijn woning

1.7.3. Substraat

Op de meeste plaatsen (90%) is de bodem in de Vlaamse Ardennen dikker dan 1,25 meter. Maar lokaal ligt het substraat – het onderliggende moedermateriaal – dichter bij het oppervlak (kaart 22).

KAART 22. Bodemsubstraten op geringe of matige diepte
(AANDACHT: om de kaart te bekijken of downloaden in hogere resolutie, klik op de kaart)

Dit substraat is van tertiaire oorsprong (zie ook sectie 1.8) en kent een grote geologische variatie. De meest voorkomende substraattype is klei-zand (4,7%). Andere voorkomende types zijn klei, zand, leem en zelfs kalkhoudend zand of zandsteen (tabel 11).
De invloed van het substraat op landbouw hangt af van de aard van het materiaal en de diepte waarop het voorkomt. Een kleiig substraat kan bijvoorbeeld water vasthouden, terwijl grind of steenlagen de beworteling kunnen belemmeren.

Tabel 11. Substraattype [1]

 Substraathectare%
Klei8671.5
Klei-zand2,8384.7
Klei + klei-zand20.0
Leem2180.4
Schiefer30.0
Veen1100.2
Zand6351.1
Kalkhoudend zand120.0
Zandsteen1360.2
Grint of stenig substraat140.0
Zandsteen + klei-zand1360.2
Onbepaald substraat8281.4
Geen substraat op < 125 cm53,96390.3

[1] Schattingen gebaseerd op pixeltelling van Kaart 13C

Kader 7. Wat is het substraat van een bodem – en waarom is het belangrijk?

In de bodemkunde verwijst het substraat naar het gesteente- of sedimentair materiaal waarop een bodem zich heeft gevormd. Je kunt het vergelijken met de onderbouw van een huis: het ligt meestal diep onder het oppervlak, maar heeft toch een grote invloed op wat zich daarboven afspeelt.

In de Vlaamse Ardennen bestaat het substraat voornamelijk uit afzettingen uit het Tertiair tijdperk – een geologisch tijdvak dat begon zo’n 66 miljoen jaar geleden en eindigde ongeveer 2,6 miljoen jaar geleden. Het materiaal is zeer divers en varieert van zanden en kleien tot mengvormen, met kleiig zand als meest voorkomende soort in deze streek.

Waarom is dat van belang? Omdat het substraat mee bepaalt hoe water doorheen de bodem stroomt of wordt vastgehouden, hoeveel voedingsstoffen beschikbaar zijn, en hoe makkelijk de bodem te bewerken is met landbouwmachines.
Een zandig substraat laat water sneller door en droogt sneller uit, terwijl een kleibasis water vasthoudt maar vaak zwaarder te bewerken is. Hoewel het substraat in de Vlaamse Ardennen meestal pas op meer dan 1,5 meter diepte voorkomt, kan het op bepaalde plaatsen dichter bij de oppervlakte liggen. De eigenschappen van dat diepere materiaal kunnen dus wél degelijk voelbare gevolgen hebben voor landbouw, vegetatie en landgebruik. Het substraat is dan ook een essentiële factor in de beoordeling van de landbouwgeschiktheid van bodems.