3.1. VA_2.1

EEN BLIK IN DE DIEPTE: Hoe de ondergrond vorm gaf aan de Vlaamse Ardennen
Hoofdstuk 2: Enkele geologische excursiesites

2. ENKELE GEOLOGISCHE EXCURSIESITES

2.1. SITE 1: EEN BLIK OP VELDSTENEN

2.1.1. Algemene karakteristieken

Figuur 21. Site 1 (geel omlijnd) en omgeving (oranje omlijnd: wijngaard van figuur 22)
Figuur 22. Site 1: maisveld langs het fietspad met veel veldstenen
Figuur 23. Site 1: Het voormalige maisveld bedekt met veldstenen
Figuur 24. Site 1: Wijngaard op de steilere NW helling

Locatie: Horebeke, 50°49’18,06”N, 3°40’41,17”E (middelpunt)
Hoogte: 69–77 m
Helling: 7–11%, gericht naar het noordwesten (315°)
Landgebruik: akkerland
Bodems (figuur 25):

Figuur 25. Bodemtypes in Site 1. Wit omlijnd de geologische formaties.

Aba1: diepe, goed gedraineerde leemgronden van plateaus en hellingen met een textuur-B-horizont en een dunne A-horizont
Aca1: diepe, zwak gleyige leemgronden met vergelijkbaar profiel
(x)Aca: matig diepe variant van bovenstaandeAcp(c): zwak gleyige vallei- en depressiegronden met een begraven textuur-B-horizont op geringe diepte
wLDx: ondiepe, zwak tot matig gleyige zandleemgronden op klei-zand substraat op geringe diepte

Kwartaire geologie: homogene eolische leemafzettingen (figuur 26); typeprofiel 12 (figuur 27 en Tabel 13)

Figuur 26. Kwartair-geologische kaart van het gebied rond Site 1 (Bogemans, 2005)
Figuur 27. Typeprofielen van het Kwartair in het gebied rond Site 1 (Bogemans, 2005)

Tabel 13. Kwartairgeologie: Typeprofielen in site 1

No.Beschrijving
1Leem op minder dan 1 m diepte
12Homogene eolische leemafzettingen
13Lemig materiaal zonder profielontwikkeling bovenop homogene eolische leemafzettingen.  Geïntercaleerde hellingsafzettingen kunnen mogelijks aanwezig zijn aan de voet van de helling.
14Homogene eolische leemafzettingen bovenop lemig materiaal, homogeen gelaagd of alternerend met zandige en/of venige laagjes ontstaan door hellingsprocessen, waarin mollusken en veenspots kunnen voorkomen.
15Lemig materiaal zonder profielontwikkeling bovenop (1) lemig materiaal, homogeen gelaagd of alternerend met zandige en/of venige laagjes ontstaan door hellingsprocessen, waarin mollusken en veenspots kunnen voorkomen, en (2) mogelijks geïntercaleerde hellingsafzettingen aan de voet van de helling.
16Homogene eolische leemafzettingen bovenop (1) lokaal aanwezig lemig materiaal, homogeen gelaagd of alternerend met zandige en/of venige laagjes ontstaan door hellingsprocessen, waarin mollusken en veenspots kunnen voorkomen, (2) geïntercaleerde hellingsafzettingen.
18Fluviatiele afzettingen met een textuur variërend van klei tot zand, mogelijks met veenontwikkeling, bovenop (1) mogelijks homogene eolische leemafzettingen, (2) lemig materiaal, homogeen gelaagd of alternerend met zandige en/of venige laagjes ontstaan door hellingsprocessen, waarin mollusken en veenspots kunnen voorkomen, en (3) geïntercaleerde hellingsafzettingen.

2.1.2. Wat maakt Site 1 bijzonder?

Op het eerste gezicht is Site 1 representatief voor een groot deel van de Vlaamse Ardennen: een zacht golvend landschap op diepe, vrij homogene leembodems, uitstekend geschikt voor landbouw en al eeuwenlang in gebruik (zie Ferrariskaart, figuur 28).

Figuur 28. Locatie van Site 1 in akkerlandpercelen op de Ferrariskaart (1779)

Er bevindt zich ook een wijngaard, Wijngoed ’t Varent (figuur 21 en 24), die opvallend genoeg op een noordwestelijke helling ligt—niet ideaal qua oriëntatie, maar met de opwarming van het klimaat en de vele geschikte hellingen in de streek is wijnbouw hier duidelijk in opmars.

Een ander opvallend kenmerk is de aanwezigheid van veldstenen, wat op het eerste zicht onverwacht lijkt in een streek waar de ondergrond zelden harde gesteenten bevat.

In Site 1 treffen we twee soorten veldstenen aan: glauconiethoudende zandstenen en ijzerzandstenen (figuur 29 en 30).

De glauconiethoudende zandstenen zijn opvallend homogeen van kleur, niet-kalkhoudend (geen HCl-reactie) en tonen doffe schakeringen van bruin, geel, groen en grijs. Glauconiet komt duidelijk voor als groene spikkels. De stenen zijn hard (krassen glas, breken vergt een hamerslag), licht kwartsitisch en vertonen geen duidelijke breukvlakken. Vaak bevatten ze afdrukken van fossielen, zoals mollusken (zie figuur 28). Met een gemiddelde dichtheid van ca. 2,10 g/cm³ komen ze sterk overeen met beschrijvingen van glauconiethoudende veldstenen door De Geyter (1990).

Figuur 29. Glauconiethoudende zandstenen verzameld van de oppervlakte in Site 1
Figuur 30. Schelpafdrukken in glauconietzandsteen in Site 1

De ijzerzandstenen zijn uniform donkerbruin en vertonen een knobbelige of gelaagde morfologie. Hun gemiddelde dichtheid is hoger (2,32 g/cm³). Ze zijn eveneens hard (krassen glas), maar geven een bruine streep op porselein. Hun vermoedelijke samenstelling is fijnkorrelig kwarts met limoniet. De gelijkenis met zandsteen uit het Diestiaan is opmerkelijk (zie Site 3).

Figuur 31. Ijzerhoudende zandstenen verzameld van de oppervlakte in Site 1

De ondergrond van Site 1 behoort tot de Formatie van Tielt (Tt), die weliswaar sedimenten met fijne textuur bevat, maar geen versteende banken. Dergelijke banken komen hogerop de helling wel voor, waar de Formatie van Gent/Lid van Vlierzele () en de Formatie van Lede gekarteerd zijn (figuur 32). Vooral de Vlierzele-afzettingen bevatten zandsteenbanken die sterk lijken op de glauconiethoudende stenen van Site 1.

Maar waarom liggen deze stenen precies hier, in zulke aantallen, terwijl de directe ondergrond niet verhard is? Een plausibele verklaring ligt in het langdurig samenspel van periglaciale processen in het Pleistoceen, met een hoofdrol voor vorstopstuwing (zie Kader 15).

Figuur 32. Excursiesite 1: Locatie en Tertiaire afzettingen
KADER 15. Hoe ontstaan ‘veldstenen’?

Dat losse stenen aan de oppervlakte verschijnen in een verder stenenvrij landschap, wijst op een bijzonder transport- en opstuwingsproces. Een belangrijke rol wordt gespeeld door vorstopstuwing (frost heaving, EN), vooral actief in periglaciale omstandigheden.  

Wie boert of tuiniert, kent het fenomeen: stenen komen vanzelf naar boven. Dat komt omdat stenen thermisch anders reageren dan de natte bodem eromheen. Bij bevriezing vormt zich eerst een ijslaag onder de steen, die de steen langzaam opduwt. Dit gebeurt vooral doordat: (1) het vriespunt in de kleine poriën van natte bodem lager ligt dan onder de steen, en (2) het uitzettende ijs onder de steen de poriën rondom verwijdt, wat extra water aantrekt dat vervolgens ook bevriest. Bij dooi zakt de steen niet terug helemaal in, want het resterende ijs onder de steen biedt nog enige steun. Bij elke cyclus schuift de steen dus iets omhoog.  

Op hellingen zullen deze omhooggekomen stenen vervolgens langzaam naar beneden bewegen via bodemkruip (soil creep, EN) en bodemvloei (solifluctie), beide processen die sterk waren in het periglaciale klimaat. Onder het huidige gematigde klimaat kunnen stenen ook bovenkomen door oppervlakkige erosie in akkerland: de fijne deeltjes spoelen makkelijker weg dan de stenen.

Hoewel dit proces de aanwezigheid van glauconiethoudende zandstenen kan verklaren, biedt het geen afdoende verklaring voor de ijzerzandstenen, die zich vermoedelijk ver buiten hun herkomstgebied bevinden. Er is geen Diestiaan in de onmiddellijke omgeving; de dichtstbijzijnde ontsluiting ligt op meer dan 6 km afstand. Bovendien zijn in de gedetailleerde beschrijvingen van Goossens (2012) geen ijzerzandstenen met deze kenmerken terug te vinden. Hun aanwezigheid op dit leemplateau blijft dus vooralsnog onverklaard.